beach

Allereerst begin ik met verhalen die ik in het verleden geschreven heb. Natuurlijk heb ik ze onlangs bewerkt.
Veel leesplezier

 

 

asphalt

De lucht zag er anders uit en dat maakt het al snel spannend. Hij draaide zich om bij de plek waar het wegdek was gesmolten.
Snel liep hij door naar een vuilnisbakje aan een lantaarnpaal en haalde er een groen begroeide fles uit.

De fles ging naar zijn lippen en hij probeerde te drinken.
Er kwam niets uit, zodat hij met zijn gezwollen tong de opening naar een laatste druppel aftastte.
Hij glimlachte om allerlei associaties, vertelde hij later.

De lucht zag er wat anders uit en de fles was nu blauw en dreef in de gracht.
Hij liep verder, teleurgesteld met zijn dikke tong een beetje uit zijn mond hangend.
De tong paste niet meer en dat was een hinderlijk gevoel. Vooral als je het niet vergeten kon.

Hij keek af en toe naar zijn voeten.Je kon er niets meer van zien. Zeker als je er niet van wist.
Een zwakke poging om zijn schouders te rechten liep op niets uit. Een beetje angstig stond hij weer voor het gat in de weg.

In een blauwe jas gaf ze hem een zoen nadat ze haar fietssleuteltje gevonden had.
Verward duwde hij haar langs het gat. Zou hij wat afspreken? Ach, het leek allemaal nergens op, dacht hij.
De lucht was anders dan normaal en nu kon hij het ook ruiken. Er zou iets moeten gebeuren om de spanning completer te maken….

Plots had hij een idee: Hij ging op het asfalt liggen, net naast wat afval en keek naar de langsrazende auto’s.
Beschermd door de gêne die mensen meestal hebben, als ze iemand op straat zien liggen,kon hij daar ongehinderd blijven.
Nee, dat was ook niets en hij rolde wat meer naar het midden van de weg. Hij sloot zijn ogen bijna en speelde met de kleuren die door zijn wimpers heen kwamen.
Het effect was nu beter. Auto’s moesten stoppen om elkaar te passeren,maar ze zijn tegenwoordig wat gewend. Zeker nu er regelmatig stukken wegdek
smolten. Hij besloot zijn jas uit te trekken en die te gebruiken als kussen. Met zijn wang voelde hij het sleuteltje van haar, dat in een binnenzak zat.

De zon zou nu snel opkomen. De auto’s reden al wat meet gehaast. Zou hij nog een schuilplaats vinden?
Er waren weinig wolken dus het zou wel eens flink heet kunnen worden. De ochtendbries ging liggen en de eerste stralen raakten hem.

De lucht zag er wat anders uit en hij kon het nu voelen ook. Het was niet de hitte, het was de helderheid.
Ze had blauwe ogen en haar huis was veel meer kwetsbaar; misschien was ze al thuis. Hij streek met zijn vingers langs zijn
lippen. Uitlaatgassen kwamen over. De bus van tien voor zeven kwam langs.Er zaten nog wat verlaatte werkers in, en de banden begonnen al te stinken.
Het zou niet de eerste bus zijn die strandde.

Hij wilde zich oprichten en bemerkte dat het asfalt al zacht was. Zijn lichaamsdelen die niet bedekt waren deden pijn en snel trok hij de jas over zijn hoofd.
Hij was vergeten waarom hij was gaan liggen. Hij had toch een idee, een plotselinge inval gehad?

Hij streek zijn vingers langs zijn gebarsten lippen en proefde romantisch genoeg de herinnering.
Lopen, lopen voor het te laat is. Als hij bij haar langs zou gaan, zou ze ongetwijfeld bezig zijn met de verbouwing. Ongestoord zou hij dan een rustig plekje beneden kunnen maken om alleen de slager te ontvangen. Hij hield ook van kaartspelen.
Neen, het had geen zin. Ze woonde zeker op twintig minuten lopen en de zon was er nu echt helemaal. Hij dook in een ruim gat in de weg. Er zaten al wat mensen, tegen elkaar om zich
tegen de hitte van buiten te beschermen. Onder het asfalt was genoeg ruimte voor stuk of dertig mensen. Via een gat in de waterleiding of de afvoer konden ze water krijgen.
Niemand lette op de kwaliteit.

Hij zag haar blauwe jas tussen de mensen. Ze zat ver weg, maar hij kon zich tussen de mensen door wringen. Ze glimlachte en de beweging daarbij van haar kaak was hem vertrouwd.
Voorzichtig raakte ze met haar vingers zijn lippen aan. ‘Je moet gekoesterd worden’, fluisterde ze. Hij knikte en drukte zijn hoofd tegen haar jas. Een man schreeuwde dat hij moest oprotten.

Hij was te veel en zeker als hij ook nog eens een potje ging vrijen. De hitte was toch al ondragelijk. Hij glimlachte naar de schreeuwende man en knoopte zijn broek los.
Ze glimlachte en herhaalde nu hard op dat hij gekoesterd moest worden. Een beroering, maar geen resultaat en teleurgesteld knoopte ze zijn broek maar weer dicht.
Haar ogen waren nu rood omrand. Ze had niet gehuild. Ze pakte zijn hand en hield die tegen haar buik. ‘Is het nu afgelopen’, zei de man van daarnet.
Ze keek verveeld om zich heen en haar blik bleef hangen bij een ambtenaar met een computer in zijn hand, die allerlei manipulaties met gegevens aan het uitvoeren was.
Met een wat schorre stem vertelde ze de ambtenaar dat hij op deze manier te veel ruimte innam. Ze drukte haar buik tegen het toetsenbord

De ambtenaar durfde nu niet veel meer. Hij haalde zenuwachtig zijn vrije hand door zijn haar. Ze glimlachte en had gewonnen. Ze voelde nu weer aan de broek van haar vriend.
Er zat nu wel beweging in; ze zou wachten.

Een radiootje schetterde een weerbericht. De lucht zag er wat anders uit en zij voelde het. Ze zocht zijn lippen en veegde wat bloed weg.
Waarom gaf hij haar zo weinig? Waar was hij nu nog bang voor?
Ze voelde zijn hand plotseling haar oorbel uit het haar van d’r buurvrouw trekken.’Net alsof je het erom doet’, fluistert hij raadselachtig.
De radio schreeuwt ondertussen ‘goedemiddag’ .

‘Kom es hier’, zei hij tegen haar. Hij krabde wat verf van haar gezicht. ‘Wil je dat puistje ook even doen?’, vroeg ze. Hij glimlachte en deed haar even pijn.
‘Voorzichtig met mijn t-shirt’, fluisterde ze een beetje schor en hij was voorzichtig.

De hitte werd nu echt ondragelijk. Een vrouw viel flauw en een wat verlept oud dametje zat te mopperen wat nu een zwangere vrouw ook te zoeken had in dit gat.
Ik voel me hier thuis, dacht hij. Ik vind die zwetende lijven lekker. ‘Je wilt gekoesterd worden’, bulkt het oude dametje. ‘Maar niet door jou, opoe’, antwoordde hij.
‘Ach a1s ik mijn oude hand onder dat kleverige shirt van jou stop, zullen je tepels gaan dansen’, knort het oude dametje terug. Verschillende vrouwen glimlachen om het woordenspel.

Boven ratelt een tank langs. Nieuwe barsten trekken door het asfalt en stukken vallen kleverig naar beneden. Een aantal mensen heeft hun zenuwen niet meer in bedwang en stormen naar buiten.
Ze vallen snel neer. Vanavond zullen ze weggehaald worden. De tank stopt. De kapitein aan boort schreeuwt: ‘Er zit verandering in de lucht’.
Het meisje met de blauwe jas kruipt het gat uit, rent naar haar fietstassen. Ze trekt een pop uit de tas, rent terug en geeft de pop aan haar vriend.
Ze draait zich om en kruipt weer naar boven en verdwijnt. Hij wist dat er verandering in de lucht zat.


Ik werkte in Leiden Noord en kreeg in een middagpauze toen ik op de Herensingel liep bovenstaande gedachte. In 1983 heb ik een grove schets gemaakt. Pas in 2014 heb ik het uitgewerkt tot een verhaal.

zonsondergangHij staarde naar de koning en zijn vrouw.
Toen hij het vonnis hoorde,
-de stem klonk wat schor-
was op de publiek tribune opluchting:
Weer een stenengooier veroordeeld!

Hij liep naar de uitgang
en zou wachten op een oproep.
We gingen daarom maar naar buiten.
We konden nog wel een keer langs de zee lopen.

De kuilen waren nu leeg.
We kozen er één uit en rolden een sigaret.
Zijn nagels waren vuil
en zijn blouse stond open..

De stank van de dode vogel werd nu ook in de kuil erg vervelend.
Ik pakte de pluk veren
en gooide het de kuil uit,maar de stank bleef..

De kuil zat als een te zacht matras
en hij baalde vreselijk naast me.
‘Het tuig won weer eens,’
mompelde hij,
‘maar ja…met mijn vrouw is het
ook uitzichtloos.

Toen ik aan mijn neus zat,
rook ik het weer:
de vogel.

Alsof het ging regenen,
zo stonden we tegelijk op.
We hadden de leegte van vrienden.
(te lang waarschijnlijk)

Terug op de boulevard was het
aanmerkelijk warmer.
Voorzichtig hielden we elkaars hand vast.
De straat lag helemaal vol veren: witte met teer.
En af en toe waaide de wind er door heen.

We liepen zo een half uur, toen ze kwamen.
Het waren er slechts drie.
Ze hadden knuppels bij zich
en sloegen snel raak.

Ik probeerde aan andere dingen te denken
maar de pijn beheerste toch alles…

Ze trokken ons door het zand
en gooiden ons in dezelfde kuil.
De stompzinnige petjes, die ze op hadden,
zag ik nog lang,toen ze wegliepen.

Toen de zon op kwam, gooiden mensen
ons uit de kuil.
Ze moesten vakantie vieren.
En zo lagen we aan de branding
Ik vond het jammer dat hij geen borsten had
anders had ik die ongetwijfeld gestreeld
Al had me dat erg veel pijn gekost.

Oorspronkelijke verhaal 1981. Bewerkt in 2016

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Links en rechts stonden auto’s werkelijk duizenden in file geparkeerd
Er zaten soms nog mensen in. Drie auto’s verderop stond een dikke Peugeot en de autoradio declameerde:
‘Was ik de stuntelige jongen, die het niet dragen kon?
Ik liep wat naar voren en probeerde nonchalant met m’n hand de nieuwe vetvlekken op m’n broek te verbergen. Ik had het gevoel dat het me aardig lukte.
Een blond meisje zat in de Peugeot en tikte met haar hand het ritme van de radio op het stuur.
“Jij droeg mijn gedichten in je baarmoeder,” schetterde het zwarte apparaat.

Laat ik haar maar wat vragen, bedacht ik, maar ik vergat het direct toen ik haar koelheid zag.
Ik passeerde de Peugeot maar dacht nog aan mijn eigen auto die ik verderop achtergelaten had.
Kan ik zover weg gaan? Ach ja, ik was bovendien niet de enige die aan het lopen was.

Een Belgisch echtpaar kwam aanslenteren. Onder hun wat slonzige overjassen zag je
witte kniebeschermers.  Ze waren niet meer zo jong.
De man wilde een vuurtje van me en ik maakte er dankbaar gebruik van en vroeg hem naar de toestand van de wereld; vooral naar de situatie waar we nu in zaten.
Hij blies rook uit maar zei niets tot zij de stilte doorbrak:
“Zelfs op uw walkman moet het te horen zijn..
“Het zal je alles duidelijk maken”, vulde hij aan.
Ik knikte vaag en liep snel door. Ze hoefden niet te zien dat ik het ging proberen.
De koptelefoon drukte tegen een puistje, maar ik hoorde niets bijzonders. Wel ergerde ik me aan de ruis. Ik probeerde nog eens maar nu de andere kant  van het cassettebandje, toen ik een stem hoorde, die met een leuk accent vertelde van het ongeluk wat verder op in een groot bedrijf. Er was geen direct gevaar. We moesten maar wachten op verdere instructies.
Ik kon dan ook geen paniek voelen.

Het leek allemaal voorbestemd en ik haastte me terug naar mijn auto, pakte enigszins tevreden de blikopener en gebruikte hem voor tonijn. Zorgvuldig verdeelde ik de partjes over wat
Toast en liep ermee naar de Peugeot. Ze was inmiddels uitgestapt en stond ongegeneerd haar kousen op te halen. Ik bood haar toast aan. Ze glimlachte mechanisch en pakte het hele bord over,
zette het in de auto en vermaande me zuinig te zijn en nog even te wachten.
“Wie weet, zou het dit keer wel lang gaan duren”, vervolgde ze.
Ik wist niets te zeggen en keek maar naar het lucht. Het was drukkend warm. Onweer was niet ver.
“Jammer, dat ik zo verkouden ben, anders… “….. “Wat anders?”, vroeg ze geïrriteerd.
Ik besefte met woorden gemorst te hebben.

In de verte zag ik de wolken van de ramp.
“Kom, laten we gaan kijken” drong ze aan en pakte een kleffe hand van me.
Ze trok me langs rijen auto’s met wachtende mensen. Een jongetje zat op een treeplank en had nogal wat muggenbulten. Een ander stond tegen de achterkant van een bus te pissen.
“Loop nu wat door”, en ze trok me hand verder naar de wolken toe. We konden nu bulldozers onderscheiden. Ik wilde terug om mijn zoontje uit de auto te halen maar een schetterende stem hield me stil en dwong me te luisteren.
“We moeten het asfalt weghalen omdat de gassen die uit de fabriek ontsnappen een zeer
gevaarlijke verbinding aangaan met asfalt. Uzelf wordt aangeraden de bekleding van uw
auto behalve als die van leer is te vernietigen. Ook…..” De speaker werd stil en overal zag je paniek in de ogen.

Ik rende nu terug naar de auto. Mijn zoontje was al bezig. Op een merkwaardig zorgvuldige manier sneed hij de bekleding los en niet alleen van de stoelen.
Alles ging eruit. Overal om ons heen zagen we branden ontstaan.Sommige mensen staken hun hele auto in de brand. Met veel geschreeuw probeerden zij anderen te overtuigen hetzelfde te doen.

De bulldozers kwamen eraan en auto’s die niet op tijd weggehaald waren, werden weggeduwd samen met het asfalt en daardoor ontstond nu echt paniek.
Het begon al donker te worden en ik zag haar terug komen. Ze sprak met mijn zoon en ik voelde een steek van jaloezie.

De bulldozers waren inmiddels uit het zicht en een aantal mensen was in de zandgeul gaan zitten. Ze wachtten. Overal branden nog vuren. Mensen aten wat resten die ze hadden overgehouden op. Gelukkig waren er ook eetwagens gearriveerd. Ik zag ook Joop ‘s rijdende snackbar en was blij dat ik geen middenstander was.
T-shirts ontbraken er nog aan met de afbeelding van de brandende fabriek!
Waar wacht ik op? Mijn zoon en de vrouw waren in het donker verdwenen
en ik voelde me alleen. Ik speelde met mijn portefeuille deed uit verveling mijn walkman op en hoorde waar ik al een tijdje bang voor was.


Iedere keer als ik met de auto in de zomer naar het zuiden ga, passeer ik dit Belgische plaatsje. Eén keer heb ik de afslag genomen om een portie friet te halen bij Joop’s snackbar. Het onheilspellende gevoel heb ik wel meer als ik zo door dat landschap rijdt, zeker als je in een file betrokken raakt. Het oorspronkelijke verhaal is in 1983 gemaakt.

vuilnis

Ik zat op haar rug, want mijn voetzolen waren te zacht voor de puntige rotsen.
-de eerste smoes.- Nou, waarom niet? Als ze me bovendien graag optilt…
Wel zweette ik, want het valt niet mee om je balans te houden terwijl zij over rotspaadjes klauterde.

Gister hadden we het schaamhaar bij elkaar weggeschoren. Heel voorzichtig en alles zat nu wat lekkerder.
De bremstruiken stonden in bloei en trokken veel bijen. We hadden, schatte ik nog ongeveer twee uur te lopen.
Tenminste…zij.

Plotseling zag ik door de brem het water schitteren in de zon die al een beetje onderging.
We zochten een plekje aan de baai.’Pftt’, zuchtte zij en rekte zich uit,’je werd loodzwaar op het laatst.
maar ja, ’t was toch een lekker gevoel op mijn kleverige rug.’
Ik knikte vaag voor me uit en stroopte mijn broek op. Een schorpioen met opgeheven staart rende weg.
Ik maakte een potje yoghurt open ende witte kring liet ik om mijn mond opdrogen.
Zij lustte niet, maar genoot kennelijk van mijn verdwaasde uitdrukking.

We moesten nu besluiten of we wel mee zouden doen aan de rellen,die overmorgen zouden uitbreken.
Het zou spannend worden nu rechts zich had georganiseerd in gewapende knokploegen.
Jammer, dat je de buurman niet zonder haat kon aankijken.Hij had immers mijn zoon doodgeschoten,
omdat mijn zoon mijn stickers had gedragen.En zo was de wereld, mijn wereld verdeeld.

Een voorstel om de oorlogszuchtigen op een of ander eiland te dumpen,
was met een krappe meerderheid verworpen. Hoe nu verder?
We leden onder het verlies van eigen bloed.Ze sprak me niet aan toen ik zo aan het staren was,
maar scheerde met steentjes over het water.
Ze legde haar vinger op mijn neus en fluisterde:’hap, snap, knap.’ Haar hand gleed onder mijn t-shirt
en ik kreeg onwillekeurig de neiging om op mijn rug te gaan liggen. De ruwe stenen hielden me tegen.

De zon was verder gezakt en de schaduwen van de rotspartijen bereikten het strandje.
Het water knabbelde tegelijkertijd aan het land. In de verte lag Rijeka,
waar de strijd zou beginnen. De hand onder het t-shirt…
voor dat gevoel moesten we schieten, maar ja, dwaasheid ons gevecht tegen de oorlogscomputers.
Alleen…die hand was de drijfveer, de moeite waard.

Liefdesgevoelens zijn als een bubbelbad.Steeds op een andere plek
barst het door je huid naar buiten.

We zagen het vlot aankomen met de stoel erop. We glimlachten naar elkaar
en droomden van die tocht. Het leek zo ver weg.
Slechts enkele weken geleden nog trok ik haar en nu….
nu droeg ze me overal naar toe

Mijn achillespezen waren doorgesneden en zaten hoog in mijn kuiten.
Ze hadden de verkeerde gepakt.Ik verdiende het niet.
Eindelijk was ik weer een keer weg uit mijn luie televisieleven.
Direct moest ik martelaar zijn.Jaren had ik geaarzeld over principes,
als dienstweigeren, opgeslokt door het standpunt van de buurt.

Eindelijk bevrijd…en dan een paar stupide skinheads, die je op straat aanvallen
Je pezen te pakken nemen…en zij…zij draagt me verder.
Gister zaten we nog tot laat aan een fles te lurken.
De laatste glaasjes gingen ook op. Ze liet me snel wat herinneringen zien.
We bleven niet plakken bij de foto’s, waardoor het hele lichte strepen bleven
in mijn herinnering.

Ondertussen stak er een bries op uit zee, warm en vermengd met as.
We waren nu al jaren weg uit Nederland. Leven was daar niet meer mogelijk.
De asschilvers zetten zich vast op haar huid en grauwheid verdrong daarmee
de anders zo mooie zomerhuid.

We kregen een beetje trek in iets hartigs,
maar we moesten wachten op de andere vlotten en we zagen nog steeds niets in de verte.
Het werd donker toen ze kwamen. Omdat ik invalide was, zou een ander vlot ons trekken.
We moesten smeken om dat gedaan te krijgen. In die drukte verdween zij in de struiken.
Ik was nu alleen met ontstoken benen, waar het ongedierte langzaam vat op kreeg.

Ze tilden me op het vlot. Triest keek ik naar de oever, toen we wegdreven.
Ze bleef achter in de struiken.

Er was iemand met een cassetterecorder aan boord. De muziek was van Joan Armatrading.
De automatische wapens zouden wel een einde gemaakt hebben aan het leven van mijn vriendin,
veronderstelde ik, toen de vlotgenoten schoten op de oevers achter ons.

De circa twintig vlotten dreven verder op weg naar de stad.
We konden niet naar de haven, we zouden dan onmiddellijk vastgezet worden.

Ze hadden kennelijk gemist. Ze was niet dood, klom stiekum aan boord
en samen vaarden we verder, bang om wat er komen ging.
Een kwartier later moesten we stoppen met roeien. Het geluid kon ons verraden.
De nacht was ook al niet donker genoeg.

Uit verveling of spanning zochten we elkaars lijven.
Ze fluisterde me saldo’s van spaarbankboekjes in de oren.
Ik kon haar moeilijk antwoorden en voelde mijn instincten
boven komen. Ze wilde niet meer, maar beschouwde het
als een poging om in elkaar op te gaan.
Bovendien voelde ze zich niet zeker en daarom bedacht ze dat het spiraaltje haar kansen
bleef bieden voor de toekomst.

Weer zonken we weg in liefde; ze stompte me op mijn arm
en gaf me het idee dat zonder strijd voor haar geen leven was.
Door haar gestomp wankelde het vlot. Water trok in mijn kleren
en ik zag er daarom tegen op om verder te gaan.

Plotseling schenen er zoeklichten over het water. We doken onder het vlot
om de kogelregen te mijden. En gek genoeg voelden we onder het vlot
ons wereldje geboren worden.
‘Hier wil ik blijven’,fluisterde ik in haar oor. Ze knikte.

Het water omsloot mijn lijf vertrouwd. De ruimtes tussen de gebonden balken gaven ons genoeg lucht.
De zoeklichten zagen we langs glijden. Weer een salvo en toch geen angst.
Er drong wel geschreeuw door. Ze wenkte me dichterbij te komen.
Ik trok me via de balken naar haar toe. Ze liet haar tanden zien en zoende me zonder waarschuwing.
Ze zoog mijn tong in haar mond en ik wist dat ik dat morgen nog wel zou voelen.

‘We moeten vechten’, fluisterde ze buiten adem. Ze was de dapperste,
terwijl ik weer aan een hevige vrijpartij dacht. Ons vlot had de oever bereikt
In het water kon ik staan. Het karstgesteente voelde ik door mijn gympjes heen.
Zij kon de zeebodem nog niet voelen. Ik waarschuwde voor zeeëgels.
De zoeklichten waren weg. De andere vlotten ook.

Na een kwartier wachten durfden we onder het vlot vandaan te komen.
We kropen door het water naar het land. Het land was oranje gekleurd door de stadslichten.
Aan de oever zat een man. Hij knikte, gaf ons wapens en een nummerplaatje voor identificatie.

Hij kon ons niet zien door zijn ver ontwikkelde syfilis. Hij was daarom betrouwbaar in de organisatie.
Hij droeg behalve een lendendoek ook tatoeages:’schaapjes met een herder’

We verdwenen moeizaam tussen de huizen achter de baai. Hij volgde ons een stukje
maar gaf dit snel op.Twee straten verder kwamen we weer een blinde tegen.
Hij hield ons stil en betastte ons plaatje en grinnikte.
‘Dood zijn jullie nog niet, maar wees er maar bang voor’.
Ik voelde weer een lichte paniek en dacht aan het veilige plekje onder het vlot.

We gingen verder. Plotseling begon weer het schieten. We doken beiden in een vuilnisvat.
Deksel dicht. Het geluid was een hel.

De volgende morgen snuffelde een Siamese kat aan onze emmers, maar at niet van ons.
We waren al aan het bederven.

Het leger vond ons later. We werden op een plein gelegd naast 62 anderen.
Mensen liepen langs onsen vroegen zich af waarvoor we vochten.
Ze hadden het immers best redelijk.

Ze geloofden misschien in elkaars idealen,bedacht de lijkbewaker
op zijn beste moment van die dag.
Hij ging verder met zijn kruiswoordpuzzel:
een ander woord voor minnekozen zocht hij.

De Brembaai is geschreven naar aanleiding van een droom die ik op vakantie had op het eiland Krk in Kroatië (1975).
Een 2e aanleiding was een achillespeesblessure, die een medespeler opliep tijdens een wedstrijd. Ik was zeer onder de indruk.
Het verhaal verscheen in zijn 1e versie in 1981 in de bundel Ruime Rode Rok. Onlangs heb ik het bewerkt, waarbij ik de staccato-stijl heb gehandhaafd.